door Anthony Hogeveen
•
22 juni 2021
Het maken van een vuurtje heeft iets magisch. Het sprokkelen van hout, met een lucifer het aansteken van wat oude kranten en dan de hoop dat dit zich vermengt tot een knetterend vuur. Om, als het vuur toch bijna dooft, er snel wat extra kranten bij te doen. Het vuurtje stoken brengt een soort kindgevoel naar boven. Opgave Maar als het flink geregend heeft, het hout nog vochtig is en het aantal kranten niet toereikend, dan wordt het vuurtje stoken een hele opgave. De gele gloed verdwijnt en steeds meer rook dwarrelt omhoog. En natuurlijk zal je net zien dat de wind zo draait dat de rook in je ogen komt. Ze beginnen te prikken en langzaam lijkt het alsof je tranen krijgt. Gekarameliseerd zoetstof De rook verspreidt zich verder, maar gelukkig heeft een klein vlammetje een droog takje omarmd. Ook een ander droog takje ontkomt niet aan de vlammenzee in wording. Langzaamaan ontkomt ook het vochtige houtblok niet aan de gele waas. Het vuur wordt heftiger en de rook verdwijnt. Ik sta voldaan naast de toren met gestapelde en gemetselde stenen. Naast mij een paar kinderen met stokken in de hand. Een zak met witte, zachte snoepspekjes gaat rond. Iedereen mag het witte zoetstof vastprikken. Enkele minuten later hangen de stokken boven het vuur. Goedkeurend bekeken door de ouders. De witte spekjes krijgen een donkerbruin, gekarameliseerd laagje. Voorzichtig van de stokjes in de mond. Marshmallows. Geur Dagen later ruik je de geur van de rook nog in je jas en in je haar. Shampoo doet zijn werk, maar de jas laat je het liefst nog een tijdje ongemoeid. Iedere keer dat je langs de kapstok loopt, snuif je die geur op. En het doet je denken aan dat fijne moment dat je vuurtje stookte. Met het excuus om marshmallows te maken. Maar stiekem om eigenlijk weer het kind in je zelf te vinden. Het kind dat eigenlijk gewoon een vuurtje wilde stoken...